Bomenboek
English
Français
Deutsch
Русско
Español
Język polski
Geschiedenis

Meer dan een halve eeuw bomenliefde

Van den Berk groeide in meer dan een halve eeuw uit tot de huidige omvang. In die tijd was de populierenteelt een tweede tak naast de veehouderij van hun vader. Vlak na de Tweede Wereldoorlog was het hout van deze snelle groeier veel gevraagd. Het werd gebruikt voor het vervaardigen van klompen, lucifers en papier.

De eerste erkende productie dateert uit 1946. Op contract kweekte vader Van den Berk populieren uit langstek die door de NAK-B gekeurd was.

Aan het begin van de jaren 60 kwamen drie van zijn zonen in het bedrijf dat toen nog steeds gemengd was. Terwijl ze overdag op het land werkten, gingen ze in de avonduren naar school om het boomkwekervak goed onder de knie te krijgen. In die tijd beheerde vader Van den Berk de portemonnee. De broers kregen echter alle ruimte om hun weg te zoeken. Aanvankelijk nam hij een afwachtende houding aan, maar al snel zag hij het succes van de boomteelt in. Na het stekken van Ligustrum en Berberis, het oculeren van rozen, het zaaien van bosplantsoen zoals eik, berk en beuk, was vader overtuigd.

Na zijn overlijden in 1964 viel er plotseling veel kennis en ervaring weg. Drie onervaren jonge jongens moesten het zien te redden. Moeder Van den Berk geloofde in haar zoons. Ze kregen de ruimte om te ondernemen en ze liet de jongens fouten maken om van te leren.

De broers waren overtuigd van hun kunnen, werkten samen, maar vooral veel en hard. Dat kreeg gestalte in de ene uitbreiding na de andere. In de periode '65 tot begin jaren '70 werd de veeteelt afgestoten. De gebroeders kochten voorzichtig stukken grond bij. Vanaf die tijd kreeg het bedrijf een steeds herkenbaarder gezicht. De leemhoudende zandgronden bleken erg goed geschikt voor de teelt van laanbomen. Dat werd de specialisatie waar de gebroeders voor kozen.

Begin jaren '90 besloot één van de broers het bedrijf te verlaten. Paulus en Jan van den Berk staan vanaf die tijd samen aan het roer.

In de zestiger jaren kweekten ze op 25 ha bomen. Dat is nu uitgegroeid tot 440 ha. Ook het personeelsbestand groeide mee. Momenteel vinden 95 mensen emplooi op dit bedrijf en is ook de derde generatie Van den Berk actief in het bedrijf.

Een ding heeft de broers altijd voor ogen gestaan: ze willen met hun kwekerij boven de grijze massa uitsteken. Met de keuze voor een uitermate breed sortiment in onder andere grote maten is dat gelukt. De kwekerij is een begrip geworden met een unieke samenstelling van het sortiment in een complete maatvoering.

Het goed ‘De Donderdonk’ ‘Eenzaam geleegen’

In het begin van de vorige eeuw schrijft Adriaan Cornelis Brock in zijn kroniek van Sint-Oedenrode dat De Donderdonk “zeer eenzaam aan het Broek” is gelegen “tusschen de gemeene steegde genaamd de Voortstraat ) zijnde de passagie van Bosch en Houthum, over de Bovenagelse brug naar Best) en de Laakstraat, gaande langs de Lemietscheiding tusschen Rode en Best, tot aan het Broek, niet ver van de Paalsteede gezeid de drie steenen alwaar de limietscheiding van Rode, Best en Liempde tesaamen zig verëenigen. … In de … Uitgiftekaart der Broekgemeente, van 8 Augustus 1468, word deze Paalstede Schede-eik, Scheek-eik, als liggende aan de woeste hoijvelden de Scheeken genaamd”.

De naam Donderdonk wordt door Wiro Heesters verklaard als: een samenstrekking van "De Onderdonk". De naam Onderdonk verwijst, vermoedt hij, naar zijn lage ligging ten opzichte van De Vrijheid Rode. Op de donk is het tegenwoordige Boskant gebouwd. H. Beijers & G. van Bussel (1996) verwijst naar M. Gijsseling die een goed Donreslo noemt, vermeld in 1186 en ziet er een samenstelling in van Donar(s) + lo = het lo of bos van de Germaanse god Donar. Een andere mogelijkheid is een identieke afleiding als bijvoorbeeld in Donderen, wat in 1335 Dunre wordt genoemd. Donderen wordt gekoppeld aan drie verschillende verklaringen, namelijk: een afleiding van Dûnheri, wat zou betekenen: hoogliggend land begroeid met bos. De verwijzingen naar zoiets als duinen liggen echter voor een streek in de Brabantse Dommelvallei bepaald niet voor de hand. De laatste verklaring sluit nog het best aan bij de naam, omdat er immers sprake is van een donk, een zandige opduiking in een moerassig gebied.

Ontsloten gebied

In de eenzame ligging van de Donderdonk is pas verandering gekomen door de verbetering van de wegen en in ’t bijzonder door de aanleg van de provinciale wegen. In de vergadering van de gemeenteraad van Sint-Oedenrode van 27 januari 1853 moet door de vroede vaderen een besluit genomen worden over het tracé van de provinciale weg van Sint-Oedenrode naar Best. De provincie heeft twee voorstellen gedaan waaruit een keuze moet worden gemaakt:

  • door de Leunestraat over de Gansendijk, Het Schoor en de Hoogstraat;
  • door de Boschkant, de Slijkstraat over de Donderdonkse dijk door de Voortsestraat en de Laakstraat.
Na lange deliberaties, waarbij de zuinigheid van de raadsleden de doorslaggevende overweging is, wordt besloten variant b. te kiezen. De volgende redenen worden voor dit besluit naar voren gebracht:

1. Het tracé a. is in zijn tegenwoordige toestand beter bruikbaar dan tracé b.. Het is bovendien met minder kosten te onderhouden. Indien de gemeente tracé a. overdraagt aan de provincie voor de aanleg van de provinciale weg, zal de gemeente zelf moeten zorgen voor ophoging van tracé b., een werk dat in elk geval zal moeten gebeuren en dan aanzienlijke uitgaven voor de gemeente met zich mee zal brengen.

2. Het overdragen van tracé b. heeft het aanzienlijke voordeel dat de provincie dan het slechtste deel van de weg, namelijk het stuk tussen Rooi en de Boschkant, door begriending zal verbeteren, waardoor de verbinding met Liempde ook verbetert.

3. Daar het tracé b. door het nog onverkochte gedeelte van de gemene broekgroenden loopt, zal door de verbetering van de weg, de waarde van deze inculte gronden aanmerkelijk toenemen.

4. De oplossing b. zal ook zeer gunstig werken op de exploitatie van de vele aldaar liggende scheek- en buundervelden, die thans nagenoeg zonder opbrengst blijven liggen en welke door een goede gelegenheid voor aanvoer van mestspeciën onberekenbare hoeveelheden hooi en dergelijke zullen kunnen opleveren.

Voordat alles met de provincie is geregeld, is het inmiddels 1885. Met het raadsbesluit van 24 januari van dat jaar wordt de weg vanaf Henkenshage over Boschkant, Slijkstraat, Donderdonkse dijk, de Voortstraat en de Lokstraat (zoals de Laakstraat inmiddels heet) tot aan de grens met Best aan de provincie overgedragen.

Het 'Slotjen Groenedaal'

In de tijd dat Brock zijn kniek schreef, behoorde de grond in Donderdonk aan vele eigenaren. Toch was Brock van mening dat in oude tijden Donderdonk één groot goed geweest moet zijn: "Dit Goed verdeeld, en aan veele eigenaars toebehoorende, moet in de oudste tijden de een of andere edelman, in zijn geheel, toebehoord hebben, welke aldaar ook een Slotje aangelegt zal hebben, en welker grondslagen of fondamenten men aldaar over eenige jaaren onder den grond opdelfde, op seeker stuks land, het Burchtje genoemd, liggende rondom in eenen breede, maar gedeeltelijk toegegroeide gracht, op die grond van de oude Hoeve of erf in de nabijheid van derzelver huising. De oude overlevering wil dat dit Slotjen de naam van Groenedaal zou hebben gevoerd".
Over dit slot is in de archieven niets teruggevonden. Wel zijn bij egaliseringswerkzaamheden dichtbij de oude boerderij veel puinresten gevonden. Toch is in Brocks veronderstelling een grond van waarheid. In het Helmonds cijnsboek van 1381 staat vermeld dat in dat jaar de kinderen van Egidius van Donresdonck de eigenaar waren van ongeveer 10 bunder(= 13 hectare) cijnsgoed in Donderdonk. Aannemend dat ze daar ook allodiaal bezit hadden, lijkt het er veel op dat we hier te doen hebben met de eigenaars van het gehele goed de Donresdonck. Uit het feit dat de cijnzen aan de heer van Helmond in nieuwe penningen moesten worden voldaan, terwijl voor de rest van het cijnsgoed dat tot de Prinsenhoef behoorde, in oude penningen moest worden betaald, kan worden geconcludeerd dat de Donderdonk later is ontstaan dan de Prinsenhoef. Dat was ook te verwachten omdat de Prinsenhoef gemiddeld twee meter hoger ligt dan de Donderdonk en daardoor in tijden dat de waterstand hoger was dan tegenwoordig, al te exploiteren was, terwijl van de Donderdonk slechts enkele wat hoger gelegen stukken - de donken - te gebruiken waren.

In 1406 blijkt het goed al opgesplitst te zijn in drie delen. De helft van het goed is dan in het bezit gekomen van Ludovicus, zoon van Christiaan van Donresdonck. Deze verkoopt een deel waarop het huis staat aan zijn zoon Cornelius van Donresdonck. De rest komt in het bezit van Rutger, zoon van Godefridus Pellifex (de Bontwerker of Pelser). Een derde gedeelte is in 1406 in bezit van Wolter, zoon van Nicolaas Blomarts, en wordt daarna eigendom van Heer Mercelius Moerkens, rector van het altaar van Maria, Agatha, Cornelius, Antonius en Barbara in de kerk van Eerschot. Een zesde gedeelte is in 1406 in handen van Peter, de zoon van Johan Uten Woude.

Rond het jaar 1500 komen deze drie delen weer in één hand en wel van Heer Willem, zoon van Willem (de) Wijze, priester. Heer Willem is rector van het altaar van Maria en Johannes de Doper in de kerk van Breugel. Het goed blijft ook één geheel onder de volgende bezitter, Heer Johan van Geldorp, priester van de kapel van Sint Oda. Vermoedelijk was in die tijd een gedeelte van het goed kerkelijk bezit. Bij akte van 3 maart 1513 is het goed weer in drie delen uiteengevallen, “waarin Jan Jan Shovers de Huisingen met de landerijen, groot een mudzaad, verkreeg”. Een deel komt aan Henrick Peeters van den Gasthuis, die vermoedelijk optreedt als provisor van de Tafel van de Heilige Geest en de rechten waarschijnlijk verkoopt aan Cornelius, de zoon van Jan Schovers. Het derde deel komt in bezit van Lambert van Tardwijk.

Gesplitst en weer verenigd

Hoewel er door diverse erfdelingen later stukken worden afgesplitst en er door koop weer andere delen aan worden toegevoegd, blijven in grote trekken de nu gevormde twee delen tot in het begin van de 19e eeuw bestaan. Het ene deel is in 1519 in bezit van Cornelis Jan Schovers. In 1529 koopt Louis Gijsberts van de Coevering het goed van Cornelis Schovers. Jenneke, de dochter van deze Louis van de Coevering, verkrijgt het goed via erfscheiding op 17 mei 1568. Zij is gehuwd met Gerard Jan Peter Goossens.

Via erfscheiding komt het vervolgens in bezit van Jan en Emke, kinderen van Gerard Goossens. Emke is gehuwd met Jan Jansen van Oorschot. In het verpondingsboek van 1649 zijn de kinderen van Jan Gerard Jan Peter Goossens en de kinderen van Jan Jansen van Oorschot de bezitters en is Aert Hendriks de pachter. Rond 1662 verwerft Heer Isaak Battem, rentmeester der geestelijke goederen, dit deel via koop. In 1683 wordt het bij executie verkocht omdat weduwe Battem de lasten die op het bezit drukken, niet meer kan betalen. De nieuwe eigenaar wordt nu Heer Maurits de la Rivière, kapitein van een compagnie voetvolk.

Zijn kinderen erven het, maar blijken niet in staat de lasten te voldoen, zodat het goed omstreeks 1693, op last van de rentmeester bij executie wordt verkocht. Koper is Peeter Stevens. Door vererving komt het aan zijn kinderen en kleinkinderen: Peternel, dochter van Peeter Stevens, gehuwd met Goord Hurckx, Antony, zoon van Peeter Stevens, en de drie kinderen van Marie, dochter van Peeter Stevens.

In 1761 is het grootste gedeelte van het goed in bezit van de weduwe en de drie kinderen van Goord Hurckx. Op 8 februari 1798 verkrijgt Anthony, zoon van Goord Hurckx, het goed via erfdeling. Hij is pastoor in Valkenswaard. Op 15 maart 1798 verkoopt hij het aan Johannes de Roy. In het register van het kadaster van 1830 is dit bezit te vinden onder de nummers 12 tot en met 22, 61, 69 en 70

Tegen het eind van de 19e eeuw komt het goed in bezit van de familie van Laack, de bewoners van De Kolk. Later komt het via vererving aan één van de dochters, Maria van Laack, gehuwd met de heer Maussen. De familie Maussen verkoopt het goed in 1968 aan de familie Van den Berk die de boerderij al sinds 1938 als pachter in gebruikt heeft.

Het andere deel dat in 1513 in bezit kwam van Lambert van Tardwijk, blijft vele jaren in handen van deze familie. Via Lambert en Isabella, kinderen van Lambert van Tardwijk, komt het bij testament aan Hendrick, zoon van Arnold van Tardwijk. Dan volgen de zes kinderen van Art Henrics van Tardwijk. Eén van hen, Henrick Arts van Tardwijk, verkrijgt het bij erfdeling. Zijn dochter Jenneke, gehuwd met Gordt Jansen van Dinther, erft het. Dan volgen de drie kinderen van Henrick van Dinther, een zoon van Gordt. Maria van Dinther, één van de drie wordt via erfdeling de eigenares. In 1767 verkoopt ze het goed aan doctor Gullielmus van Baar, medicine doctor in Sint-Oedenrode. Via zijn zoon, Johan van Baar die het in 1791 erft, komt het in 1810 aan diens dochter, Marie van Baar die gehuwd is met J. van Roosmalen. Het goed is in 1830 bij de aanvang van het kadaster nog in het bezit van J. van Roosmalen en is in het register van dat jaar te vinden onder de nummers, 30 tot en met 32, 36, 37, 80, 82 en 83. In 1975 verkoopt de toenmalige eigenaar, de heer Niersman die er een fruitkwekerij bezit, dit bedrijf aan de familie Van den Berk. In de loop der jaren wordt het oorspronkelijke boerenbedrijf geleidelijk omgezet in een grote boomkwekerij die geëxploiteerd wordt door de gebroeders Van den Berk. Via verdere grondaankopen is dit bedrijf belangrijk vergroot. Zo blijkt zich de geschiedenis voor de derde maal te herhalen en is na jaren van splitsing weer één groot bezit ontstaan.

Geraadpleegde literatuur

Beijers, H. & G. vna Bussel (1996). Van d’n Aabeemd tot de Zsijnsput – Toponiemen in de cijnskring Helmond vóór 1500 in naamkundig en nederzettingshistorisch perspectief. Mierlo: Van Bussel Document Services.

Brock, A.C. (1832) Beschryving der Vryheid St. Oden-rode. Behelzende verhandeling over de gebouwen als kerken, kapellen, gestichten, adelijke sloten, heerlijkheden, leen en andere landgoederen zoo binnen de Oude Vryheid als onderhoorige gehuchten van St. Oden-Rode geleegen.

Heesters, W. (1968) Streeknamen van Sint-Oedenrode – III. Heemschild: 2, nr. (23-27).

Koomans, N. (1986) Het goed De Donderdonk. Heemschild: 20, nr. 3 (37-42).


Het rooien gebeurde in vroeger dagen met behulp van een zogenaamde 'Mallejan'.



De eerste brochure stamt uit de jaren vijftig.


Het spoelen van melkbussen hoorde tot de dagelijkse werkzaamheden van het toenmalige gemengde bedrijf.


Populieren-stekken vormden de eerste teelt van de gebroeders.


Vader en moeder Van den Berk met de kinderen te paard achter de ouderlijke woning.