Abies
Abies procera
'Glauca'
| Hoogte: | 5 - 10 m |
| Kroon: | breed piramidaal |
| Schors en takken: | stam grijs tot roodbruin, eerst glad, later ruwer |
| Blad: | naalden, 2,5 - 3,5 cm, intens grijsblauw |
| Bloemen: | onopvallend |
| Vruchten: | kegels, 15 - 25 cm, roodbruin verkleurend, najaar |
| Toepassing: | parken, solitair |
| Grondsoort: | humusrijk, goed doorlatend |
| Windbestendigheid: | goed |
| Herkomst: | Engeland, ± 1863 |
| Winterhardheidszone: | 6b |
| Synoniem: | A. nobilis ‘Glauca’ |
Een vrij langzaam groeiende conifeer die in eerste instantie nog smal piramidaal is maar later breed piramidaal uitgroeit. Bij jonge bomen is de bast nog glad en zilverachtig grijs maar deze wordt later ruwer en roodbruin. Jonge takken zijn oranjebruin en worden in het tweede jaar donker roodbruin. De naalden zijn zowel aan de bovenzijde als aan de onderzijde intens blauwgrijs van kleur. In het najaar verschijnen de grote kegels. Aanvankelijk zijn deze blauwgroen, later verkleuren ze roodbruin. A. procera 'Glauca' draagt al op jonge leeftijd kegels. Bij doorkweek van zijscheuten kunnen kruipende vormen verkregen worden. Soms verschijnen hierbij dan weer opgaande scheuten die tot boom uitgroeien. De boom verdraagt geen kalkrijke bodem.
