Abies
Abies nordmanniana
Nordmannspar
Nordmanns-Tanne, Kaukasus-Tanne - Nordmann fir, Caucasian fir - Sapin du Caucase
| Hoogte: | 25 - 30 (60) m |
| Kroon: | breed piramidaal, later ovaal |
| Schors en takken: | bast zacht en grijs, later zwartbruin en gegroefd |
| Blad: | donkergroene naalden, 2 - 3 cm, onderzijde met 2 witte strepen |
| Bloemen: | onopvallend |
| Vruchten: | kegels, 12 - 15 (20) cm lang, 5 cm dik, najaar |
| Toepassing: | parkboom |
| Grondsoort: | zwaardere, vochthoudende grond |
| Windbestendigheid: | goed |
| Herkomst: | West-Kaukasus |
| Winterhardheidszone: | 5b |
| Synoniem: | - |
Grote conifeer met een breed piramidale kroon en in etages groeiende horizontaal afstaande zijtakken. In het natuurlijk verspreidingsgebied komen exemplaren van 60 m hoogte voor die een ouderdom van 500 jaar hebben. De uiteindelijke breedte is 7 - 9 m. Indien rondom de boom voldoende ruimte is, blijven ook de onderste takken aan de boom. Jonge exemplaren groeien traag maar de groeisnelheid neemt met de ouderdom wat toe. Jonge takken zijn olijfgroen en de kleine knoppen hebben geen hars. In de winter zijn de knoppen roodbruin gekleurd. Aan de onderkant hebben de glanzende donkergroene naalden 2 witte strepen. Na de onopvallende bloei verschijnen in het najaar opstaande groene kegels en die naar bruin verkleuren. Abies nordmanniana werd door A. von Nordmann, die begin 19de eeuw directeur was van de botanische tuin in Odessa, op een zoektocht door de Kaukausus gevonden.
